ECLI:NL:CRVB:2011:BT8431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks eerdere scheiding
Betrokkenen, die eerder gehuwd waren en kinderen uit dat huwelijk hebben, ontvingen bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Na een anonieme melding startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand, omdat vermoed werd dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College deels, met name voor de periode waarin onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Het College en betrokkenen gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is indien betrokkenen hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, ongeacht hun subjectieve beleving of motief. Op basis van verklaringen van betrokkenen en getuigen concludeerde de Raad dat zij gedurende de gehele periode een gezamenlijke huishouding voerden. Hierdoor was het College bevoegd de bijstand over deze periode te herzien en terug te vorderen.
De Raad verklaarde het beroep van betrokkenen ongegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover het College dit betrof. Proceskosten werden niet toegewezen. Partijen kunnen nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van betrokkenen wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand door het College bevestigd.