ECLI:NL:CRVB:2015:1690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting en intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op gesprekken
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken over zijn arbeidsverplichtingen. Zonder bericht van verhindering verscheen hij niet op de afspraken van 16 januari, 31 januari en 20 februari 2013. Het college stelde daarop een onderzoek in naar zijn woonsituatie en schortte het recht op bijstand op.
Ondanks herhaalde oproepen verscheen appellant niet, waarop het college de bijstand introk met ingang van 20 februari 2013. Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting en intrekking, maar deze bezwaren werden door het college en vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college terecht van zijn bevoegdheid tot opschorting en intrekking gebruik heeft gemaakt. Het college mocht ervan uitgaan dat de post op het uitkeringsadres appellant tijdig zou bereiken en dat het niet ontvangen van post voor zijn risico komt. De periode van intrekking was beperkt tot zes dagen, waardoor appellant niet onevenredig werd getroffen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De opschorting en intrekking van de bijstand worden bevestigd vanwege het niet verschijnen op verplichte gesprekken zonder bericht van verhindering.