ECLI:NL:CRVB:2014:257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-naleving medewerkingsplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd opgeroepen voor een gesprek en het aanleveren van bewijsstukken vanwege een vermoeden van onderverhuur van zijn woning. Hij verscheen niet op de oproepen en leverde de gevraagde gegevens niet aan. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in, met terugvordering van gemaakte kosten.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tijdelijk zijn woning niet kon betreden en zijn post niet kon lezen, dat de hersteltermijn te kort was en dat het college niet op de juiste wijze had opgeroepen. Tevens stelde hij dat zijn belangen onvoldoende beschermd werden en verzocht om schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van het laatst bekende adres van appellant en dat het de oproepen correct had gedaan door ze in de brievenbus te deponeren. Het niet ontvangen van post kwam voor risico van appellant, die ook niet had gemeld dat hij tijdelijk elders verbleef. De hersteltermijn was voldoende en de belangen van appellant waren wettelijk beschermd. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd zonder toekenning van schadevergoeding.