Appellante, woonachtig in Slovenië, ontving een Nederlandse WGA-uitkering en was op grond van Europese verordeningen gerechtigd op een medische beoordeling door het Sloveense verzekeringsorgaan. Het UWV had deze beoordeling zelf uitgevoerd, wat leidde tot een gebrekkige motivering van het besluit van 5 oktober 2010. De Raad gaf het UWV opdracht dit te herstellen.
Ondanks herhaalde oproepen verscheen appellante niet voor het medisch onderzoek in Slovenië, waardoor het Sloveense orgaan en het UWV hun onderzoek staakten. Dit gebrek aan medisch onderzoek is voor risico van appellante. De Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld, onjuist te achten.
De Raad oordeelt dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat er geen relevant verlies aan verdienvermogen is dat aanspraak op WIA-uitkering rechtvaardigt. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het betaalde griffierecht wordt aan appellante vergoed.
De Centrale Raad vernietigt het besluit en de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond, maar handhaaft de rechtsgevolgen van het besluit van 5 oktober 2010.