ECLI:NL:CRVB:2015:1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht bijstand en toepassing studiefinanciering partner
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 10 maart 2013 nadat hij eerder was hersteld verklaard uit de Ziektewet. Het college wees eerdere aanvraag af omdat appellant toen nog aanspraak had op ZW- en WW-uitkering. Appellant betoogde dat onjuiste voorlichting hem verhinderde eerder bijstand aan te vragen en dat de bijstand onterecht werd gekort vanwege de studiefinanciering van zijn partner.
De Raad oordeelde dat het besluit van het college om bijstand niet met terugwerkende kracht toe te kennen terecht was, omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had gesteld die dat rechtvaardigen. Uit het dossier bleek dat appellant tijdig op de hoogte was van zijn rechten en mogelijkheden, maar ervoor koos pas later bijstand aan te vragen.
Verder bevestigde de Raad dat de inkomsten uit studiefinanciering van de partner op basis van het normbedrag moesten worden meegeteld, ongeacht het feit dat de partner geen aanvullende lening had afgesloten. Dit volgt uit de dwingendrechtelijke bepalingen van de WWB en Wsf, waarbij een aanvullende lening als voorliggende voorziening wordt beschouwd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.