ECLI:NL:CRVB:2015:179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en woonde op het uitkeringsadres. Na anonieme meldingen onderzocht de sociale recherche of zij samenwoonde met K. Uit verklaringen van appellante, K en buurtbewoners bleek dat K vanaf juni 2011 feitelijk op het uitkeringsadres verbleef en zij een gezamenlijke huishouding voerden.
Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante voerde onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte het aanhoudingsverzoek afwees en dat geen sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat het aanhoudingsverzoek niet was toegewezen en dat appellante haar procesbelangen niet was geschaad. De feiten wezen op een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg, waaronder financiële verwevenheid en gezamenlijke zorg voor het kind. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.