Appellant, woonachtig in Duitsland en werkzaam in Nederland, vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Polen woonachtige dochter. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af over de periode van het derde kwartaal 2010 tot en met het tweede kwartaal 2011, omdat appellant op de peildatum van het derde kwartaal niet verzekerd was en omdat de moeder van het kind reeds kinderbijslag ontving over de overige kwartalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn dochter in belangrijke mate had onderhouden. De Raad stelt vast dat het dienstverband van appellant in Nederland pas op 7 september 2010 begon, waardoor hij op 1 juli 2010 niet verzekerd was voor de AKW. Daarnaast staat artikel 18, vierde lid, van de AKW aan uitbetaling van kinderbijslag aan appellant over de kwartalen waarin de moeder reeds kinderbijslag ontving, in de weg.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigt dit besluit, waarbij de rechtsgevolgen in stand blijven. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt eveneens vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en de Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant. Tevens wordt de Svb verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.