ECLI:NL:CRVB:2015:181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en doorzending hoger beroep Wet Kinderopvang
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder met toeslag en stond samen met haar dochter ingeschreven op het adres van haar moeder. Appellant ontving bijstand als alleenstaande en woonde vanaf januari 2012 op het adres van zijn moeder. Na een huisbezoek en onderzoek concludeerde het college dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en trok de bijstand en tegemoetkoming kinderopvang met terugwerkende kracht in, waarna terugvorderingen werden ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vernietigde het besluit over de bezwaren van appellant wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betwisten appellanten het voeren van een gezamenlijke huishouding. De Raad stelt vast dat de Wet Kinderopvang niet onder haar bevoegdheid valt en zendt die zaken door naar de ABRvS.
De Raad oordeelt dat appellanten feitelijk samenwoonden ondanks het aanhouden van aparte adressen, zoals blijkt uit verklaringen en bevindingen tijdens het huisbezoek. Hierdoor was appellante niet zelfstandig bijstandsontvanger en was appellant mede verantwoordelijk voor terugvordering. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover deze niet over de Wet Kinderopvang gaan en wijst de hoger beroepen af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en verklaart zich onbevoegd over de Wet Kinderopvang-besluiten.