ECLI:NL:CRVB:2015:1827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante was sinds oktober 2006 arbeidsongeschikt wegens psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordelingen in 2010 en 2011 bleef deze beoordeling gehandhaafd. Bij een onderzoek in maart 2012 werden haar beperkingen als relatief licht beoordeeld, met geen contra-indicatie voor lichte werkzaamheden.
Het UWV trok daarom bij besluit van 6 september 2012 de WIA-uitkering per 7 november 2012 in. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de ingebrachte medische stukken geen aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid van de beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren en dat zij niet in staat was tot loonvormende arbeid. Zij bracht aanvullende medische stukken in en vroeg om benoeming van een onafhankelijk deskundige. De Raad concludeerde echter dat er geen objectief medisch bewijs was dat haar beperkingen op de datum in geding zwaarder waren dan vastgesteld. De Raad wees op een latere toename van psychische beperkingen vanaf december 2013, maar deze viel buiten de datum in geding.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat ook de arbeidskundige beoordeling van de geschiktheid van functies adequaat was. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering per 7 november 2012 wegens onvoldoende medische beperkingen.