ECLI:NL:CRVB:2015:1893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor geduide functies
Appellant, laatst werkzaam als assistent bedrijfsleider in de horeca, meldde zich ziek met diverse klachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering en een daaropvolgend beroep, meldde hij zich opnieuw ziek en vroeg een Ziektewet-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling dat appellant geschikt was voor ten minste één van de geduide functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en consistent was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat het onderzoek niet voldeed aan het Verzekeringsgeneeskundig protocol voor depressieve stoornissen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant met zijn klachten in staat is om ten minste één van de geduide functies te verrichten. Tevens wijst de Raad erop dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij Ziektewet-beoordelingen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Ziektewet-uitkering bevestigd.