ECLI:NL:CRVB:2009:BI3737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid per 11 december 2006
Appellante, voorheen sociaal/cultureel medewerkster, meldde zich op 22 september 2005 ziek met rug- en maag/darmklachten. Na meerdere onderzoeken, waaronder door verzekeringsarts Korenhof en bezwaarverzekeringsarts Van der Leij, concludeerde het UWV dat zij per 11 december 2006 weer arbeidsgeschikt was. Het UWV beëindigde daarop het recht op ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten werden onderschat en dat het verzekeringsgeneeskundig protocol Aspecifieke lage rugpijn niet was toegepast. Tevens overhandigde zij een radiologisch rapport van een acute rughernia, maar dit betrof een latere datum dan de datum in geschil.
De Raad overwoog dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij Ziektewet-beoordelingen en dat het UWV op goede gronden oordeelde dat appellante per 11 december 2006 arbeidsgeschikt was. De aanvullende medische informatie bevestigde dit beeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op ziekengeld per 11 december 2006 beëindigd.