ECLI:NL:CRVB:2015:1914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ZW-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing beperkingen
Appellante, laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider vanuit huis, meldde zich ziek met allergische klachten en het MCS-syndroom. Het UWV weigerde haar Ziektewetuitkering op grond van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat geen objectieve beperkingen vaststelde.
Na bezwaar en een deskundigenrapport van een oogarts, waarbij een volledig gezichtsveldonderzoek niet mogelijk was vanwege de weigering van appellante om oogdruppels te gebruiken, bleef het UWV bij haar standpunt. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering en gebrekkige communicatie over alternatieven voor het oogonderzoek.
Het UWV nam een nieuw besluit, opnieuw gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts en een expertise van het UMCG, waarin werd geconcludeerd dat de oogproblematiek niet geobjectiveerd kon worden en appellante geschikt was voor haar werk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was, dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot ongeschiktheid en dat de bijzondere omstandigheden van thuiswerken in een aangepaste omgeving meegewogen moesten worden.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing van beperkingen.