Uitspraak
19 5042 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
28 november 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2018 ten grondslag.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als personal assistent tot 1 juli 2018, waarna zij zich ziek meldde met rug- en beenklachten. Het UWV stelde vast dat zij geen recht had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verlichtende omstandigheden van het thuiswerken en de mogelijkheid tot afwisselend zitten, staan en liggen in acht genomen moesten worden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beoordeling ten onrechte uitging van het thuiswerk en niet van het werk op kantoor, waar zij alleen liggend kon werken. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de bijzondere verlichtende omstandigheden niet buiten beschouwing konden blijven.
De Raad concludeerde dat appellante geschikt was voor haar werk bij een soortgelijke werkgever, mede door de mogelijkheid tot afwisseling in werkhouding. De eerdere uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht heeft op ziekengeld wordt bevestigd.