Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2015
Publicatiedatum
28 januari 2015
Zaaknummer
13-1398 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrechtWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij huishoudelijke hulp Wmo

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die bepaalde dat een betrokkene recht had op huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Tijdens de procedure bereikten partijen een schikking waarbij het college 2,5 uur per week huishoudelijke hulp toekende tot het overlijden van betrokkene. Het college verzocht de Raad alsnog een principiële uitspraak te doen over de vraag of huishoudelijke hulp binnen een instelling als de betreffende instelling als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd.

De Raad oordeelde dat het college onvoldoende procesbelang had om deze vraag inhoudelijk te laten beoordelen, omdat het belang slechts principieel was en niet direct betrekking had op het eigen resultaat van het college. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten van de betrokkenen en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak bevestigt dat een principieel belang onvoldoende is voor ontvankelijkheid in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.

Uitspraak

13/1398 WMO
Datum uitspraak: 28 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
20 februari 2013, 12/6200 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant)
de erven van [betrokkenen] te [woonplaats] (betrokkenen)
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. J.A.C. Verheyden, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met zaaknummer 13/1401 WMO, plaatsgevonden op 30 juli 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Vukovic. Betrokkenen zijn vertegenwoordigd door mr. Verheyden en E.E. de Graaff. Partijen hebben ter zitting een schikking getroffen.
Appellant heeft de Raad verzocht om alsnog uitspraak te doen, waarop het onderzoek is heropend.
Appellant en betrokkenen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Het nadere onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft gevoegd met de zaak met zaaknummer 13/1401 WMO plaatsgevonden op 6 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic. Betrokkenen zijn vertegenwoordigd door
mr. Verheyden en E.E. de Graaff. Na de nadere behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2012 (bestreden besluit) heeft appellant de afwijzing van een aanvraag van[naam]om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [naam] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf voorzien in de zaak door te bepalen dat [naam] geïndiceerd is voor de daadwerkelijk genoten huishoudelijke hulp op grond van de Wmo, voor vier uur per week, voor de periode van 26 december 2011 tot en met 21 oktober 2012.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd, voorzover nog van belang, dat hulp bij het huishouden binnen een instelling als [instelling] waar [naam] tot aan haar overlijden verbleef, als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Betrokkenen hebben dit standpunt van appellant in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
4. Ter zitting van de Raad van 30 juli 2014 zijn partijen overeengekomen dat appellant 2,5 uur per week huishoudelijke hulp toekent tot de datum van overlijden van [naam]. De overige 1,5 uur per week die zijn verstrekt als voorzien in de uitspraak van de rechtbank, worden niet teruggevorderd.
5. Appellant heeft de Raad verzocht als nog uitspraak te doen over de vraag of de huishoudelijke hulp als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. De Raad ziet zich door dit verzoek geplaatst voor de vraag of appellant procesbelang heeft behouden bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
6. Desgevraagd heeft appellant aangevoerd dat het belang heeft gehouden bij een oordeel over de aangevallen uitspraak met betrekking tot de principiële vraag of huishoudelijke hulp voor bewoners van [instelling] een algemeen gebruikelijke voorziening is in verband met toekomstige aanvragen om hulp bij het huishouden van andere bewoners van [instelling].
7. De Raad is van oordeel dat hierin onvoldoende procesbelang is gelegen. De wens van appellant dat de Raad een principiële uitspraak doet met het oog op mogelijk vergelijkbare situaties in de toekomst, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2746). De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Raad van 11 september 2013 (ECLI:NL:CRVN:2013:1737) maakt dit oordeel niet anders. In dat geval ging het immers om toekomstige aanvragen voor vergelijkbare zorg van dezelfde betrokkene terwijl het in dit geval gaat om aanvragen om vergelijkbare zorg van andere bewoners van [instelling] dan [naam].
8. Het vorenstaande betekent dat met de getroffen schikking het procesbelang bij het hoger beroep is komen te vervallen zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
9. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.217,50. Bij de berekening is ten aanzien van de proceshandelingen nadere zitting en schriftelijke reactie wegingsfactor 0,5 toegepast.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 1.217,50;
  • bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 478,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) B. Fotchind
nk