Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die bepaalde dat een betrokkene recht had op huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Tijdens de procedure bereikten partijen een schikking waarbij het college 2,5 uur per week huishoudelijke hulp toekende tot het overlijden van betrokkene. Het college verzocht de Raad alsnog een principiële uitspraak te doen over de vraag of huishoudelijke hulp binnen een instelling als de betreffende instelling als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende procesbelang had om deze vraag inhoudelijk te laten beoordelen, omdat het belang slechts principieel was en niet direct betrekking had op het eigen resultaat van het college. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten van de betrokkenen en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak bevestigt dat een principieel belang onvoldoende is voor ontvankelijkheid in bestuursrechtelijke procedures.