Appellante had bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een aanvraag ingediend voor een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Dit verzoek werd bij besluit van 16 april 2010 afgewezen en dat besluit werd na bezwaar gehandhaafd op 29 juli 2010. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting op 26 juni 2013 werd medegedeeld dat appellante eind 2012 naar haar geboorteland Iran was vertrokken en niet van plan was terug te keren naar Nederland. Hierdoor kwam de Raad tot de vraag of er nog sprake was van voldoende procesbelang.
Volgens vaste rechtspraak is procesbelang alleen aanwezig indien het met het beroep beoogde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. Omdat appellante niet terugkeert en het doel van adequate zorg in Nederland niet meer gerealiseerd kan worden, vervalt haar belang bij de procedure. Een eventueel belang wegens geleden schade werd niet aannemelijk gemaakt, omdat de stelling dat zorg door een nichtje werd verleend en daarvoor vergoeding verschuldigd was, onvoldoende concreet onderbouwd was.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang en wees een proceskostenveroordeling af.