ECLI:NL:CRVB:2015:1939
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging Ziektewet-uitkering
Verzoeker, een agrarisch medewerker, ontving sinds 10 juli 2013 een Ziektewet-uitkering vanwege ziekte. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een psychiater werd geconcludeerd dat verzoeker geschikt was voor zijn eigen werk, waarop de ZW-uitkering met terugwerkende kracht werd beëindigd per 10 juli 2013 en 17 februari 2014. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker gegrond voor de beëindiging per 10 juli 2013, maar ongegrond voor de beëindiging per 17 februari 2014.
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen de beëindiging per 17 februari 2014 en verzocht om een voorlopige voorziening omdat hij financieel niet meer rond kon komen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker geen financiële stukken had overlegd die een noodsituatie aantonen en dat hij ter zitting verklaarde geen betalingsachterstanden te hebben en dat zijn kinderen in het levensonderhoud voorzien.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontbreken van spoedeisend belang en het ontbreken van een financiële noodsituatie betekent dat niet voldaan is aan de vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan onverwijlde spoed en financiële noodsituatie.