ECLI:NL:CRVB:2015:1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op AOW-pensioen wegens ontbreken ingezetenschap en dienstbetrekking in Nederland tussen 1969-1974
Appellant, geboren in 1947 in Marokko, vroeg op 1 februari 2011 een AOW-pensioen aan met de stelling dat hij tussen 1968/1969 en 1974 in Nederland had gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit pensioen toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond omdat geen bewijs was dat appellant verzekerd was.
In hoger beroep stelde appellant dat hij in de geschilperiode verzekerd was omdat hij in Nederland diverse werkzaamheden had verricht en dat onvoldoende onderzoek was gedaan. De Svb stelde dat niet was gebleken dat appellant in die periode ingezetene was of in Nederland had gewerkt.
De Raad beoordeelde of appellant verzekerd was op grond van ingezetenschap of arbeid in Nederland. Uit onderzoek bleek dat appellant niet in het bevolkingsregister van Amsterdam stond ingeschreven en dat pensioenfondsen en werkgevers geen gegevens over hem hadden. Het onderzoek van de Svb werd als zorgvuldig beoordeeld. Omdat appellant geen bewijsstukken overlegde, werd geconcludeerd dat niet aannemelijk was dat hij in Nederland woonde of werkte in de periode 1969-1974.
Daarmee werd de aangevallen uitspraak bevestigd en werd appellant geen AOW-pensioen toegekend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op AOW-pensioen omdat niet aannemelijk is dat hij tussen 1969 en 1974 in Nederland woonde of werkte.