ECLI:NL:CRVB:2015:1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering AOW-pensioen wegens ontbreken ingezetenschap en dienstbetrekking in Nederland 1971-1973
Appellant, geboren in 1947 in Marokko, vroeg in 2011 een AOW-pensioen aan met de stelling dat hij tussen 1971 en 1973 in Nederland woonde en werkte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit pensioen toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze weigering omdat appellant niet kon aantonen dat hij in Nederland ingezetene was geweest of in dienstbetrekking arbeid had verricht die aan loonbelasting was onderworpen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij in die periode in Nederland woonde en werkte, maar de Svb kon dit niet bevestigen. Uit onderzoek bleek dat appellant niet was ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van Rotterdam, noch in het Schakelregister, en dat er geen gegevens waren bij het pensioenfonds bakkersbedrijf of de rechtsopvolger van de werkgever. Het enkele bezit van een burgerservicenummer vanaf 2011 was onvoldoende bewijs voor een eerdere verzekering.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een duurzame persoonlijke band met Nederland in de betreffende periode. Het onderzoek van de Svb was zorgvuldig en appellant had geen aanvullende bewijsstukken overgelegd. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van AOW-pensioen wegens ontbreken van ingezetenschap en dienstbetrekking in Nederland tussen 1971 en 1973.