Uitspraak
OVERWEGINGEN
31 oktober 2004 alsnog kan meetellen voor de AOW-opbouw van de echtgenote van appellant.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met Marokkaanse nationaliteit en woonachtig in Nederland sinds 1970, vroeg in 2005 AOW aan. Besluiten uit 2005 en 2007 verleenden AOW met kortingen vanwege niet-verzekerde jaren en beperkte toeslag. Na een uitspraak van de Raad in 2011 wijzigde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) in 2012 ambtshalve de toeslag met ingang van 1 juni 2011, waarbij de echtgenote van appellant een periode van 1970 tot 2004 alsnog kon meetellen voor AOW-opbouw.
Appellant stelde bezwaar en beroep in voor een langere terugwerkende kracht en betoogde onjuiste informatieverstrekking en ongelijke behandeling, onder meer met een beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol in samenhang met artikel 14 EVRM Pro. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb het beleid correct had toegepast en dat de echtgenote van appellant de mogelijkheid had om zich vrijwillig te verzekeren na 2004.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt vast dat de besluiten uit 2005 en 2007 onherroepelijk zijn en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Svb heeft het beleid correct toegepast, waarbij terugwerkende kracht maximaal tot 1 juni 2011 wordt toegekend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het EVRM faalt wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad verklaart de onbevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant gedekt en bevestigt de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onherroepelijkheid van de AOW-besluiten en wijst het hoger beroep af.