ECLI:NL:CRVB:2015:1995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- H.G.H. Hink
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellante ontving sinds 2000 bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. Na onderzoek door de sociale recherche ontstond twijfel over de rechtmatigheid van de bijstand, omdat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner O, die sinds 21 oktober 2011 niet meer officieel op het adres stond ingeschreven.
Het college trok daarom de bijstand met ingang van 8 mei 2008 in, later aangepast tot intrekking vanaf 21 oktober 2011, omdat zij aannam dat appellante en O een gezamenlijke huishouding hadden. De rechtbank stelde vast dat O tot 10 augustus 2012 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, waarna hij vertrok naar Ghana.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende bewijs was geleverd voor het hoofdverblijf van O in de periode tot augustus 2012. De Raad oordeelde echter dat de waarnemingen van de sociale recherche, verklaringen van kinderen en buurtbewoners en aangetroffen bescheiden voldoende aannemelijk maakten dat O en appellante samenwoonden.
De Raad bevestigde dat appellante in strijd met haar inlichtingenverplichting geen melding had gemaakt van de gezamenlijke huishouding, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand over de periode 21 oktober 2011 tot 10 augustus 2012 wordt bevestigd.