ECLI:NL:CRVB:2015:2009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand wegens niet-levensvatbaar bedrijf en onvoldoende zelfstandigheidsperiode
Appellant vroeg op 23 januari 2013 algemene bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college wees de aanvraag af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht en appellant niet voldeed aan het criterium van oudere zelfstandige. Het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz) liet het adviesbureau Avedis B.V. de levensvatbaarheid onderzoeken, dat concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was.
Appellant voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder betwisting van de bevoegdheid van de Raad, onrechtmatigheid van de behandeling door het Rbz, schending van het recht op hoor en wederhoor, en dat zijn bedrijf wel degelijk levensvatbaar zou zijn. De Raad oordeelde dat de Raad bevoegd was, dat het college terecht het Rbz inschakelde, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn zienswijze te geven, en dat de adviezen van Avedis niet onzorgvuldig of onjuist waren.
Verder stelde appellant dat hij tien jaar onafgebroken als zelfstandige had gewerkt en daarmee in aanmerking kwam voor aanvullende bijstand. De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende die periode aan het urencriterium van 1.225 uur per jaar had voldaan. De rechtbank had dit ook al geoordeeld.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende objectieve gegevens had overgelegd om het oordeel over de niet-levensvatbaarheid van het bedrijf te weerleggen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf en onvoldoende zelfstandigheidsperiode.