ECLI:NL:CRVB:2015:2022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken verblijfsvergunning
Appellant vordert kinderbijslag over de kwartalen van het vierde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft met een brief van 24 juli 2012 laten weten dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag over deze periode, omdat het recht niet kan worden vastgesteld over een periode langer dan vijf jaar geleden. Dit werd bevestigd in een beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief van 24 juli 2012 niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. In hoger beroep stelt appellant dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege zijn individuele situatie, maar dit wordt verworpen omdat reeds in het besluit van 6 december 2001 is vastgesteld dat appellant geen recht had op kinderbijslag wegens het ontbreken van een relevante verblijfsvergunning.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 24 juli 2012 een herhaald besluit is waartegen geen bezwaar mogelijk is, en dat het eerdere besluit van 6 december 2001 bindend is. Bovendien blijkt uit de stukken dat appellant in de relevante periode niet beschikte over een verblijfsvergunning en niet in procedure was om deze te verkrijgen, waardoor de Koppelingswet van toepassing is en hij niet verzekerd was voor de AKW. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag wordt bevestigd.