ECLI:NL:CRVB:2015:2024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Deze uitkeringen werden beëindigd per 1 mei 2012 omdat haar jongste kind 18 jaar was geworden. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij recht had op behoud van de uitkering omdat zij ten minste 45% arbeidsongeschikt zou zijn.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) vroeg advies aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), dat oordeelde dat appellante niet aan de arbeidsongeschiktheidseis voldeed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het Uwv-onderzoek zorgvuldig en overtuigend. De medische beoordeling van Turkse instanties werd niet relevant geacht vanwege onduidelijkheid over de onderbouwing en het ontbreken van een verband met verlies aan verdienvermogen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat het Turkse onderzoek onzorgvuldig was vanwege een niet vermelde ziekenhuisopname. De Raad concludeerde dat deze opname slechts kort duurde en dat het Turkse onderzoek uitgebreid was, inclusief ECG en Doppler echocardiografie. Er was geen reden om aan de juistheid van het Uwv-rapport te twijfelen. Ook waren geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die het oordeel konden ondermijnen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat de nabestaandenuitkering terecht was beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.