ECLI:NL:CRVB:2015:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 5 december 2012 waarin werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 oktober 2012 een juiste weergave gaf van zijn beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de bijwerkingen van zijn medicatie, in combinatie met geestelijke en lichamelijke klachten, onvoldoende waren meegenomen in de FML, waardoor er ten onrechte geen urenbeperking was vastgesteld en bepaalde beperkingen niet waren opgenomen. Het UWV handhaafde het eerdere oordeel en verzocht bevestiging van de uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellant grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het medisch onderzoek, inclusief rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML, die ook rekening hield met medicijngebruik en veiligheidsbeperkingen. De voorbeeldfuncties die aan de schatting ten grondslag lagen, waren medisch geschikt voor appellant.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.