ECLI:NL:CRVB:2015:2078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor voorbeeldfuncties Wet WIA
Appellante, voormalig schoonmaakster, viel uit met klachten aan rechterarm en schouder en later rug- en spanningsklachten. Bij einde wachttijd in februari 2012 werd zij niet als arbeidsongeschikt aangemerkt voor een WIA-uitkering. Een nieuwe ziekmelding in januari 2013 met rug- en schouderklachten leidde tot een onderzoek door een verzekeringsarts die haar geschikt achtte voor ten minste één voorbeeldfunctie binnen de Wet WIA.
Het Uwv beëindigde daarop de ZW-uitkering per 7 januari 2013. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat haar klachten waren verergerd en dat medische informatie van specialisten onvoldoende was meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische gegevens, waaronder van anesthesioloog en neuroloog, geen aanleiding geven tot twijfel aan de belastbaarheid. De nieuwe ziekmelding in oktober 2013 betreft andere klachten (depressieve klachten) dan de klachten in januari 2013. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet ongeschikt is voor ten minste één voorbeeldfunctie en wijst het hoger beroep af.