Uitspraak
16 september 2013, 11/5539 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg herziening van zijn AOW-uitkering omdat een periode van stage in Zuid Afrika niet als verzekerde periode was erkend. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen met ingang van 1 mei 2009, maar weigerde terugwerkende kracht van meer dan één jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen bijzonder geval bestond dat een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigde. Appellant stelde in hoger beroep dat het aanvraagformulier onvolledig was en dat hij onwetend was van de regeling, waardoor hij recht zou hebben op een langere terugwerkende herziening.
De Raad oordeelde dat de aanvraagprocedure en de wettelijke bepalingen vereisen dat de aanvrager zelf relevante informatie verstrekt. Appellant had geen aanwijzingen gegeven over de bijzondere situatie en was niet verschoonbaar onbekend met de regeling. Daarom was de beperking tot één jaar terugwerkende kracht terecht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht van meer dan één jaar wordt afgewezen.