ECLI:NL:CRVB:2015:2084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante viel op 7 mei 2010 uit wegens knieklachten en psychische problemen. Het UWV stelde bij besluit van 2 april 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bij bezwaar op 2 juli 2013 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren ingeschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij meer beperkingen ondervindt, met name bij lopen, knielen en psychische klachten die werken in bepaalde omgevingen onmogelijk maken. Het UWV verwees naar arbeidsdeskundige rapporten ter bevestiging van het eerdere oordeel.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of medische gegevens bevat die het eerdere oordeel kunnen wijzigen. De verzekeringsarts heeft een uitgebreid dossieronderzoek en lichamelijk onderzoek verricht, waarbij ook externe medische informatie is betrokken. De beperkingen zijn adequaat gemotiveerd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid voor de geduide functies voldoende onderbouwd.
Gelet op deze overwegingen wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.