ECLI:NL:CRVB:2015:2092
Centrale Raad van Beroep
- Prejudicieel verzoek
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Prejudicieel verzoek over arbeidstijd en rusttijd van hoofdwerktuigkundige op inspectieschip
Appellant, werkzaam als hoofdwerktuigkundige bij de Rijksrederij op een schip dat visserij-inspecties en kustwachttaken uitvoert, vordert een hogere vergoeding voor uren waarin hij beschikbaar was maar geen werkzaamheden verrichtte. De minister heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat de relevante Europese richtlijnen niet van toepassing zijn op appellant omdat hij zeevarende is en de specifieke richtlijn voor zeevarenden (Richtlijn 1999/63) van toepassing is.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat het schip niet onder de handelsscheepvaart valt en de minister niet verplicht is beschikbaarheidsdiensten op te dragen. De Centrale Raad van Beroep onderzoekt of de uren van beschikbaarheid als arbeidstijd moeten worden beschouwd volgens Richtlijn 93/104 en Richtlijn 2003/88, en of deze richtlijnen van toepassing zijn op appellant.
De Raad concludeert dat Richtlijn 1999/63 niet van toepassing is, omdat het schip niet gewoonlijk wordt gebruikt voor handelsscheepvaart. De Raad vraagt zich af of de beschikbaarheidsuren, waarin appellant niet fysiek op de werkplek aanwezig hoeft te zijn maar oproepbaar is, als arbeidstijd moeten gelden. Ook wordt de vraag gesteld of de uitzonderingen voor veiligheidstaken de uren als rusttijd kunnen laten gelden.
De Raad legt vier prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU over de toepasselijkheid van de richtlijnen en de kwalificatie van de beschikbaarheidsuren als arbeidstijd of rusttijd. De behandeling van de zaak wordt aangehouden tot het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep houdt de zaak aan en verzoekt het Hof van Justitie EU om prejudiciële uitleg over de toepassing van arbeidstijd- en rusttijdrichtlijnen op de beschikbaarheidsuren van appellant.