Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:2101

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2015
Publicatiedatum
30 juni 2015
Zaaknummer
14-843 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 7:629 BWArt. 29b ZiektewetArt. 11 Wet algemene bepalingenRegeling Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging anticumulatie WAZ-uitkering bij gedeeltelijke loondoorbetaling tijdens ziekte

Appellante ontving sinds 2001 een WAZ-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Vanaf 2009 werkte zij in loondienst maar viel in 2010 uit wegens ziekte. De werkgever betaalde het loon door op grond van artikel 7:629 BW Pro en vroeg een Ziektewetuitkering aan, die werd toegekend en in mindering gebracht op de loondoorbetaling.

Het UWV verhoogde de WAZ-uitkering na herbeoordeling, maar bepaalde dat deze niet werd uitbetaald zolang de werkgever loon of ziekengeld betaalde. Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening omdat de werkgever slechts 70% van het loon doorbetaalde, terwijl het UWV uitging van 100%.

De rechtbank verwierp het bezwaar en oordeelde dat de anticumulatiebepaling van artikel 58 WAZ Pro en de Regeling Samenloop een verrekening op basis van het volledige loon voorschrijven. Ook de garantieregeling bood geen grond voor een andere uitkomst.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat het niet aan de rechter is om de billijkheid van de wet te toetsen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

14/843 WAZ
Datum uitspraak: 24 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 december 2013, 12/2136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J. Aanen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aanen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontving sinds 14 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Met ingang van 1 januari 2009 is appellante in loondienst gaan werken. Op 19 mei 2010 is zij uitgevallen voor dit werk. Het loon is door de werkgever op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek doorbetaald. De werkgever heeft op grond van artikel 29b van de Ziektewet (ZW) een uitkering aangevraagd en die is hem toegekend. De werkgever heeft deze uitkering in mindering gebracht op de loondoorbetaling.
1.2.
Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2011 de WAZ-uitkering van appellante met ingang van 16 juni 2010 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is tevens bepaald dat de WAZ-uitkering van 16 juni 2010 tot 17 mei 2012 niet tot uitbetaling komt, omdat de werkgever tot die dag het loon dan wel ziekengeld aan appellante uitbetaalt. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van
9 september 2011 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank de stelling van appellante verworpen dat het Uwv bij de toegepaste praktische schatting had dienen uit te gaan van de feitelijke omvang van de loondoorbetaling, die 70% van het loon bedroeg, en niet van de fictie dat de werkgever 100% van het loon zou doorbetalen. Artikel 58 van Pro de WAZ (de anticumulatiebepaling) en de dwingend geformuleerde Regeling Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met inkomen (zoals die luidde in 2010 en 2011, verder de Regeling Samenloop) laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere uitleg toe. In artikel 4, tweede lid, van die Regeling is immers bepaald dat, indien de inkomsten uit arbeid worden vervangen door, zoals in dit geval, een ZW-uitkering, de ZW-uitkering wordt geacht gelijk te zijn aan de inkomsten die voorafgaande aan de ZW-uitkering werden genoten. Dat de werkgever niet het volledige loon uitbetaalde, doet hieraan niet af. Ook het beroep dat appellante heeft gedaan op de corrigerende bepaling in artikel 4, derde lid, van de Regeling Samenloop slaagt volgens de rechtbank niet. Deze ‘garantieregeling’ ziet, aldus de rechtbank, op de omstandigheid dat in geval van samenloop, van WAZ-uitkering met verrekening van een ZW-uitkering of tijdens ziekte doorbetaald loon, het totale inkomen niet lager mag zijn dan de ongekorte
WAZ-uitkering. Die situatie doet zich hier niet voor.
3. In hoger beroep heeft appellante gesteld de uitspraak van de rechtbank onbegrijpelijk te vinden. Feitelijk is appellante er in inkomsten op achteruit gegaan doordat en nadat zij is gaan werken. Dat acht zij onjuist en onrechtvaardig. Indien van het daadwerkelijk uitbetaalde en ontvangen loon van 70% wordt uitgegaan, zou er sprake zijn van een andere uitkomst.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 58 van Pro de WAZ is een zogenoemde anticumulatiebepaling opgenomen voor gevallen waarin een verzekerde recht heeft op een WAZ-uitkering en tevens inkomsten uit arbeid geniet. In geschil is de vraag of het Uwv een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 58 van Pro de WAZ in samenhang met de Regeling Samenloop door bij de verrekening uit te gaan van het volledige loon van appellante, terwijl de werkgever slechts 70% doorbetaalde tijdens appellantes ziekte. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Het ter zake gegeven oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden door de Raad onderschreven.
4.2.
De omstandigheid dat appellante de uitwerking van de toepassing van de anticumulatiebepaling in de WAZ in haar geval als onrechtvaardig ervaart, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Het is, gelet op artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, niet aan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (zie de uitspraak van 3 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2286).
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) K. de Jong

RB