Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met als uitkeringsadres een nieuwbouwwoning. Na een onderzoek door de sociale recherche, mede ingegeven door meldingen over haar verblijfplaats, concludeerde het college dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €29.450.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende feitelijke gronden had om te concluderen dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. Het extreem lage water- en stroomverbruik, dat ver onder de Nibud-normen lag, en de bankafschriften die betalingen en opnames elders toonden, ondersteunden deze conclusie. De verklaringen van vrienden en buurtbewoners waren onvoldoende concreet om dit te weerleggen.
Appellante had geen afdoende verklaring voor het lage verbruik en de afwijkende verblijfplaats. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.