ECLI:NL:CRVB:2015:2158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen beperkingen voor WAO-uitkering na intrekking
Appellante ontving sinds 2002 een WAO-uitkering vanwege gedeeltelijke amputatie van de linker duim en chronische pijn. Na herbeoordeling trok het UWV de uitkering in 2006 in wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Appellante meldde verslechtering op meerdere data vanaf 2008 en vorderde hernieuwde uitkering wegens toegenomen beperkingen.
Het UWV stelde vast dat geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2007, wat door de rechtbank werd bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de diagnose posttraumatische dystrofie niet automatisch tot toegenomen beperkingen leidt. Ook waren klachten aan rug, heup en been van andere oorzaak dan de duimklachten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onvoldoende was en dat haar beperkingen waren toegenomen. De Raad stelde vast dat appellante geen objectieve medische stukken overlegde die het oordeel van het UWV en de rechtbank ondermijnden. De Raad bevestigde dat geen aaneengesloten periode van vier weken met toename van beperkingen was aangetoond en dat de klachten niet uit dezelfde oorzaak voortkomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.