ECLI:NL:CRVB:2015:2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid maatgevende arbeid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 21 februari 2013. Hij stelde dat zijn klachten, met name van psychische aard en onverklaarbare pijn, werden onderschat en dat hij niet in staat is zijn maatgevende functie te vervullen.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden de klachten meegewogen en concludeerden dat appellant geschikt was voor maatgevende arbeid. De rechtbank vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ernstiger beperkt was dan aangenomen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad overwoog dat de medische informatie, waaronder rapporten van een psycholoog en orthopedisch chirurg, geen aanwijzingen bevatten dat de beperkingen waren onderschat. Onverklaarbare pijn en de stelling over flauwvallen konden geen grond vormen om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.