ECLI:NL:CRVB:2015:2194

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2015
Publicatiedatum
3 juli 2015
Zaaknummer
15-2919 WIA-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin haar beroep tegen de weigering van een WIA-uitkering ongegrond werd verklaard. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening waarbij het UWV werd veroordeeld tot betaling van een voorschot op de WIA-uitkering.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang, vooral in financieel opzicht. Verzoekster stelde dat zij sinds december 2013 geen inkomsten meer uit werk heeft, haar spaargeld heeft verbruikt en dat haar maandelijkse inkomsten lager zijn dan haar vaste lasten. Tevens zou zij geconfronteerd worden met naheffingsaanslagen van meer dan € 8.500.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het spoedeisend belang voldoende is. Indien de huurtoeslag wordt toegekend, ligt haar inkomen boven de bijstandsnorm. Zonder toeslag ligt het inkomen slechts € 90 onder die norm, wat onvoldoende is voor een noodsituatie. Ook het bestaan van naheffingsaanslagen leidt niet tot een andere conclusie, mede omdat een betalingsregeling mogelijk is.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.

Uitspraak

15/2919 WIA-VV
Datum uitspraak: 26 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. N.J. Moens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2014, 14/3794 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Moens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2.
Bij besluit van 4 november 2013 heeft het Uwv geweigerd aan verzoekster per
2 december 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, nu de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2014 zijn de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 4 november 2013 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid per 2 december 2013 heeft onderschat. Verzoekster is van mening dat zij gelet op haar medische beperkingen recht heeft op een WIA-uitkering. Zij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het Uwv wordt veroordeeld een maandelijks voorschot van € 650,- op de WIA-uitkering aan haar te betalen.
3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2.
De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
3.3.
Verzoekster heeft ter motivering van het door haar gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat zij, doordat het Uwv haar een WIA-uitkering heeft geweigerd per
3 december 2013, in een financiële noodsituatie is geraakt, omdat haar maandelijkse inkomsten nauwelijks hoger zijn dan haar maandelijkse vaste lasten. Verzoekster licht toe dat zij sinds december 2013 geen inkomsten meer uit werk geniet en haar volledige spaarsaldo heeft verbruikt. Haar maandelijkse inkomsten bedragen € 870,-. Verzoekster heeft huurtoeslag aangevraagd die, indien deze aanvraag wordt toegewezen, € 278,- per maand bedraagt. De maandelijkse lasten van verzoekster bedragen € 1.080,45 (bestaande uit € 563,51 huur,
€ 157,- nutsvoorzieningen, € 130,60 ziektekostenverzekeringspremie, € 36,71 gemeentelijke belastingen, € 20,- motorrijtuigenbelasting, € 66,94 verzekeringspremies, € 93,77
telefonie- en internet en € 11,92 lidmaatschapskosten ANWB). Voorts zullen naar verwachting aan verzoekster naheffingsaanslagen over de belastingjaren 2013 en 2014 worden opgelegd van tezamen meer dan € 8.500,-. Het voorgaande leidt ertoe dat verzoekster binnen zeer afzienbare tijd in financiële nood zal verkeren. De maandelijkse inkomsten zijn immers onvoldoende om verzoekster na betaling van de vaste lasten in levensonderhoud te voorzien. Gelet hierop heeft verzoekster spoedeisend belang bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, die ziet op een maandelijks voorschot van € 650,- op de
WIA-uitkering waarop zij naar haar mening recht heeft.
3.4.
De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat de huurtoeslag nog niet is verleend. Wel is een naheffingsaanslag opgelegd over het jaar 2013 ten bedrage van € 5.717,- die verzoekster uiterlijk op 18 juli 2015 moet betalen. Zij is hiertoe echter niet in staat. Verzoekster is volgens haar gemachtigde voornemens contact op te nemen met de Belastingdienst teneinde een betalingsregeling te treffen.
3.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. Indien de aanvraag om huurtoeslag wordt toegewezen is het inkomen van verzoekster hoger dan de ingevolge Participatiewet geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande. Zonder die toeslag ligt het inkomen ongeveer € 90,- onder die norm. De voorzieningenrechter kan hierin niet een dusdanige noodsituatie zien dat het verzoek om een voorziening zou moeten worden toegewezen.
3.6.
De omstandigheid dat verzoekster een naheffingsaanslag over het jaar 2013 moet betalen en er wellicht nog een naheffingsaanslag opgelegd zal worden over het jaar 2014 maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verzoekster ten aanzien van de reeds opgelegde naheffingsaanslag over het jaar 2013 een betalingsregeling kan treffen met de Belastingdienst en voor de naheffingsaanslag over het jaar 2014 is niet gebleken dat deze reeds is opgelegd.
3.7.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
3.8.
Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2015.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) H.J. Dekker

AP