ECLI:NL:CRVB:2015:2196
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechters in herzieningsprocedure sociale zekerheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die zijn herzieningszaak behandelden, omdat hij meende dat zij tijdens de zitting partijdig waren door hun vraagstelling en het niet toestaan van schriftelijke toelichting. Het verzoek betrof twee onderdelen: de wijze van vraagstelling ter zitting en het niet mogen overleggen van een schriftelijke toelichting.
De Raad oordeelde dat het wrakingsverzoek over de vraagstelling niet tijdig was ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Het verzoek over het niet mogen overleggen van de schriftelijke toelichting was wel tijdig en werd inhoudelijk beoordeeld. De Raad stelde vast dat de rechters vermoed moeten worden onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn van vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.
Hoewel verzoeker de gang van zaken op de zitting onduidelijk vond en een gerechtvaardigde verwachting had dat schriftelijke toelichting werd geaccepteerd, was zijn echtgenote in de gelegenheid gesteld de toelichting voor te lezen en is deze in het proces-verbaal opgenomen. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid van de rechters en wees het wrakingsverzoek af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 juni 2015.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek over de vraagstelling is niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek over het niet mogen overleggen van schriftelijke toelichting is afgewezen.