ECLI:NL:CRVB:2015:223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonlijke prestatietoelage wegens onvoldoende functioneren en bevriezing regeling
Appellante, sinds 1999 in vaste dienst bij de gemeente Rotterdam, verzocht op 27 juli 2012 om toekenning van de persoonlijke prestatietoelage (PPT) met terugwerkende kracht. Het college wees dit verzoek bij besluit van 6 september 2012 af omdat appellante niet voldeed aan het vereiste van goed functioneren en de PPT-regeling sinds 31 mei 2011 vanwege bezuinigingsmaatregelen was bevroren.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 23 januari 2013 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel goed had gefunctioneerd en dat zij onterecht geen PPT ontving, mede omdat alle collega’s deze wel kregen.
De Raad oordeelde dat het functioneringsverslag over juni tot december 2010 onvoldoende scores bevatte om van goed functioneren te spreken. Appellante had het verslag ondertekend en had mogelijkheden om bezwaar te maken tegen de beoordeling. De bevriezing van de PPT-regeling wegens bezuinigingen was een redelijke grond en de stelling dat zij al vóór 31 mei 2011 recht had op de toelage werd verworpen. Ook het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden door het college.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de persoonlijke prestatietoelage wegens onvoldoende functioneren en bevriezing van de regeling.