ECLI:NL:CRVB:2015:2248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervroegde vergoeding aanschaf nieuwe auto bij leefvervoersvoorziening
Appellant, woonachtig in Duitsland, heeft een leefvervoersvoorziening ontvangen voor een auto met een waarde van €13.895,-. In 2013 vroeg hij om vergoeding voor een andere auto, omdat hij nog steeds afhankelijk is van eigen vervoer en de mogelijkheid zag om de huidige auto onder gunstige voorwaarden in te ruilen. Het UWV wees deze aanvraag af, omdat de auto nog niet was afgeschreven volgens de gebruikelijke termijn van zeven jaar en er geen medische noodzaak was voor vervroegde vervanging.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij lijdt aan een ernstige gegeneraliseerde angststoornis en somatoforme stoornissen, waardoor onverwachte gebeurtenissen problematisch zijn. Tevens stelde hij dat de kosten voor het onderhoud van de auto toenemen. Deze medische gronden werden onderbouwd met een verklaring van een neuroloog en een e-mail van een autodealer. Het UWV bracht een verzekeringsartsverklaring in, die stelde dat er geen medische noodzaak was voor vervroegde vervanging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van gebreken die zijn medische toestand beïnvloeden. In hoger beroep bracht appellant geen nieuwe gronden naar voren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.