ECLI:NL:CRVB:2015:225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij AOW-ontheffing
Appellant, met de Belgische nationaliteit en woonachtig in Nederland sinds 1995, ontving vanaf 1 februari 2007 een Belgisch rustpensioen en vroeg op 25 september 2009 ontheffing aan van de verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen met terugwerkende kracht tot 1 februari 2007. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verleende deze ontheffing met ingang van 25 september 2009. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum, maar dit werd door de Svb ongegrond verklaard.
De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van de Svb, omdat onvoldoende was onderzocht of de Nederlandse of Belgische sociale zekerheidswetgeving van toepassing was. De Svb handhaafde vervolgens haar standpunt in een nieuw besluit. De rechtbank verklaarde het beroep daarop ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Tijdens de zitting stelde de Svb dat er geen premies over de periode 1 februari 2007 tot 25 september 2009 zijn geheven en ook niet meer geheven kunnen worden. Bovendien zal appellant geen AOW-pensioen ontvangen zolang hij dit niet aanvraagt. De Raad stelde vast dat het oorspronkelijke procesbelang van appellant hierdoor is komen te vervallen en dat een mogelijk toekomstig belang onvoldoende is om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
De Centrale Raad van Beroep besloot daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.