ECLI:NL:CRVB:2015:2260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en herziening bijstandsuitkering wegens niet verstrekken informatie over stortingen
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en er werden kas- en bankstortingen door haar vader op haar rekening geconstateerd. Het college trok de bijstand in wegens het niet verstrekken van informatie over deze stortingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de herziening reeds was beslist bij een eerder besluit. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de herziening pas bij een later besluit was genomen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de herziening al eerder was besloten. De herziening vond pas plaats bij het besluit van 3 april 2013. De Raad vernietigde het vonnis en het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen de herziening niet was behandeld.
De Raad oordeelde dat de stortingen als inkomen moeten worden aangemerkt, omdat appellante onvoldoende bewijs leverde dat het geld niet haar ten goede kwam. De inlichtingenverplichting was geschonden en het bezwaar tegen de herziening werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bezwaar tegen de herziening wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.