ECLI:NL:CRVB:2015:2395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bezit onroerend goed in buitenland leidt tot intrekking en terugvordering bijstand
Appellante ontvangt sinds 1993 bijstand en werd in 2011 onderzocht op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanwege vermoedelijk bezit van onroerend goed in Turkije. Uit onderzoek bleek dat zij sinds 1 december 2004 eigenaar was van een woning met een waarde boven de vermogensgrens, wat haar recht op bijstand uitsloot. Het college trok de bijstand over de periode 2004-2011 in en vorderde de kosten terug.
Appellante stelde dat zij het bezit in 2005 had gemeld en betwistte de taxatiewaarde, maar kon dit niet bewijzen. De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting was geschonden en dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering. De taxatierapporten van appellante werden minder zwaar gewogen dan het door het college gehanteerde rapport van de ambassade, dat ter plaatse was uitgevoerd.
Verder werd een maatregel opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, maar appellante voerde hiertegen geen zelfstandige gronden aan. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.