Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor griffierechten en een eigen bijdrage voor verschillende juridische procedures. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, omdat appellant niet kon aantonen dat de kosten noodzakelijk waren zonder toevoeging of verklaring van het Juridisch Loket.
De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen, waarbij de noodzaak van de procedures zelfstandig moest worden beoordeeld. Het college handhaafde vervolgens deels de weigering voor de bijdrage aan de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (CvBFD) en het griffierecht voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het college bijzondere bijstand moet verlenen voor het griffierecht bij de Afdeling, maar oordeelde dat de bijdrage voor de procedure bij de CvBFD niet noodzakelijk was omdat appellant niet ontvankelijk was verklaard en het belang van het geschil onder de drempel lag.
De Raad vernietigde het besluit van 17 september 2014 voor zover het de weigering van bijzondere bijstand voor het griffierecht bij de Afdeling betrof en bepaalde dat het college alsnog € 239,- aan bijzondere bijstand moet verlenen. Tevens werd het besluit van 4 oktober 2013 herroepen en kwam deze uitspraak daarvoor in de plaats.
Uitkomst: Het college moet appellant alsnog bijzondere bijstand verlenen voor het griffierecht bij de Afdeling bestuursrechtspraak van € 239,-.