Uitspraak
25 november 2013, 13/1878 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als keukenmedewerker en meldde zich arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over het medisch onderzoek en de mate van beperkingen, en stelde dat hij de door het UWV geselecteerde functies niet kon verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing en medische stukken had overgelegd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aantonen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant de functies kan verrichten zonder relevant verlies aan verdienvermogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.