Uitspraak
13 mei 2014, 13/3764 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
12 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en het besluit van 1 augustus 2013 gehandhaafd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als chef de bureau bij een werkgever die in juni 2013 failliet werd verklaard. Na het faillissement vroeg appellant een faillissementsuitkering en een WW-uitkering aan bij het UWV. De faillissementsuitkering werd aanvankelijk geweigerd, maar de rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant hiertegen gegrond en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen.
Het UWV betaalde daarop de faillissementsuitkering uit, maar wees het beroep van appellant tegen de weigering van de WW-uitkering over de periode na het faillissement af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, met de overweging dat appellant over de faillissementsperiode geen recht had op WW-uitkering.
Appellant stelde in hoger beroep dat het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het procesbelang was vervallen na de eerdere uitspraak over de faillissementsuitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het procesbelang bleef bestaan omdat het UWV pas na de eerdere uitspraak uitvoering gaf aan de faillissementsuitkering en dat de rechtbank terecht ontvankelijkheid had aangenomen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant geen recht had op WW-uitkering over de faillissementsperiode en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling, omdat het bestreden besluit niet was vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder proceskostenveroordeling.