ECLI:NL:CRVB:2015:2414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluiten terugvordering bijstand en draagt op tot nieuw inhoudelijk besluit
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam en werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstand over de periode januari 1998 tot augustus 1999, vastgesteld bij besluit van 25 december 2000. Het college had vanaf 2009 maandelijks bedragen ingehouden op de bijstand van appellant ter invordering van deze vordering.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en de inhoudingen, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te laat zou zijn ingediend. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd aangenomen dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt. Appellant stelde echter dat hij pas in september 2010 kennis kreeg van het besluit van 2000.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 december 2000 wel tijdig was ingediend, aangezien hij pas op 22 september 2010 kennis nam van het besluit. De Raad vernietigt daarom de bestreden besluiten die het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarden en draagt het college op binnen zes weken een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar, waarbij ook de verjaring van de terugvordering beoordeeld moet worden. Tevens moet het college de gevolgen voor de invorderingsbesluiten bezien.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de niet-ontvankelijkheidsbesluiten en draagt het college op binnen zes weken een nieuw inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar tegen de terugvordering.