Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV stelde vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat de verzekeringsarts onzorgvuldig was geweest en dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld. Tevens stelde zij dat de maatmanuren en de passendheid van de geduide functies onjuist waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren die de rapporten van de verzekeringsartsen in twijfel trokken. Ook de urenomvang van de maatman werd juist vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar leverde geen nieuwe medische stukken die haar beperkingen onderbouwden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) niet werd overschat. De arbeidsdeskundige had de passendheid van de functie wikkelaar voldoende toegelicht. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, omdat de passendheid van de functie pas in hoger beroep voldoende was toegelicht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het beroep en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.