ECLI:NL:CRVB:2015:2477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen urenbeperking
Appellant vordert een WIA-uitkering met ingang van 11 november 2012, omdat hij meent dat hij recht heeft op een urenbeperking en dat zijn beperkingen gelijk zijn aan die bij de latere toekenning van een uitkering per 1 april 2013.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat de medische beperkingen en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 33,31% juist zijn vastgesteld en er geen objectief medisch bewijs is voor een andere beoordeling. De arbeidsdeskundige heeft de functies die appellant geacht wordt te kunnen vervullen, gemotiveerd en passend bevonden.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn stellingen, maar de Raad volgt de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat er geen indicatie is voor een urenbeperking. De verzekeringsarts heeft dit uitgebreid gemotiveerd, waarbij ook rekening is gehouden met de standaard “Verminderde Arbeidsduur”. De toekenning van een uitkering per 1 april 2013 betekent niet dat de beperkingen op 11 november 2012 onjuist zijn vastgesteld.
De Raad oordeelt dat de functies met de relevante SBC-codes medisch geschikt zijn voor appellant en dat de motiveringsplicht door de arbeidsdeskundige is nageleefd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft geen recht op WIA-uitkering per 11 november 2012.