ECLI:NL:CRVB:2015:2554
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit toekenning uitkering burger-oorlogsslachtoffers
Appellante, geboren in 1935 in Nederlands-Indië, diende in 2004 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat zij was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo. In 2012 vroeg zij herziening van dit besluit, maar ook dit verzoek werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit bevoegd was genomen en dat de Sociale Verzekeringsbank slechts een ondertekeningsmandaat had. Het verzoek om herziening werd terughoudend getoetst, waarbij centraal stond of er nieuwe feiten waren die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Zulke feiten werden niet aangetoond, ook niet met de ingebrachte verklaringen.
Verder werd geoordeeld dat het verblijf van appellante in beschermingskampen tijdens de Bersiap-periode niet onder de werking van de Wubo valt. Ook het beroep op ongelijke behandeling en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind faalde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot afwijzing van haar verzoek om herziening op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.