Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:2559

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
31 juli 2015
Zaaknummer
13-6782 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 54 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep tegen beslissing UWV over WIA-uitkering en hoorplicht

In deze zaak staat het oordeel van de rechtbank over het door het UWV genomen besluit omtrent de WIA-uitkering van appellant centraal. Het UWV had vastgesteld dat appellant recht had op een WGA-uitkering wegens 47% arbeidsongeschiktheid vanaf 30 juni 2011. Appellant was het niet eens met deze beslissing en stelde beroep in, waarbij hij tevens klachten uitte over zijn werkgever en de behandeling van zijn ontslag.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat er geen schending van de hoorplicht was en dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van schending van de hoorplicht en dat zijn meldingen over integriteitsschendingen door zijn werkgever onvoldoende werden behandeld.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op het UWV-besluit en niet op arbeidsrechtelijke aspecten zoals het ontslag. Hoewel de Raad erkent dat de hoorplicht is geschonden, concludeert zij dat appellant hierdoor niet is geschaad omdat hij in de procedure zijn standpunten heeft kunnen toelichten. Wel veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.

De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Dit betekent dat de beslissing van het UWV over de WIA-uitkering in stand blijft, ondanks het formele gebrek in de procedure.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit over de WIA-uitkering blijft in stand, met een proceskostenveroordeling tegen het UWV.

Uitspraak

13/6782 WIA
Datum uitspraak: 10 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2013, 12/9822 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is verschenen met bijstand van [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 30 juni 2011 op grond van artikel 54 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 47%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is geweest van schending van de hoorplicht door het Uwv, dat het geschil dat appellant met zijn werkgever heeft buiten de beoordeling van het bestreden besluit valt en dat de medische en arbeidskundige beoordeling door het Uwv van appellants recht op een WIA-uitkering juist is geweest.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het Meldpunt integriteit van de gemeente Den Haag appellants melding van integriteitsschending door medewerkers van de dienst Stadsbeheer doelbewust verkeerd heeft afgedaan. Appellant heeft meerdere malen melding gedaan van deze kwestie en gewezen op geknoei door zijn werkgever, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag. Zijn ontslag is eveneens verkeerd afgehandeld. Na de bevestiging van appellants ontslag door de Raad heeft appellant de hulp ingeroepen van de Nationale Ombudsman, maar deze kon niets meer voor hem doen, net zomin als de burgemeester en een lid van de Tweede Kamer. Naast appellants integriteitsmelding met betrekking tot zijn werkgever speelt de kwestie dat zes bedrijfsartsen weigerden te voldoen aan de minimale vereisten van de Wet Poortwachter en geen volledige en onafhankelijke informatie gaven. Daarnaast acht appellant de hoorplicht geschonden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
In deze zaak staat uitsluitend ter beoordeling van de Raad het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. Met de uitspraak van de Raad van 20 september 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX8112) is komen vast te staan dat aan appellant ingaande
1 november 2009 ontslag is verleend wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Voor zover appellants gronden zien op het al dan niet terecht gegeven ontslag door zijn werkgever, alsmede diens re-integratieverplichtingen, hebben zij betrekking op aspecten die geen deel uitmaken van het bestreden besluit en daarvan ook geen deel uit hoefden te maken. De rechtbank heeft over die aspecten van hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook terecht geen oordeel geven.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank verklaard geen problemen te hebben met het Uwv, maar toch beroep te hebben ingesteld tegen het bestreden besluit omdat de rechtbank nog de enige plek was om alles over zijn werkgever aan de orde te stellen.
4.3.
Niettemin heeft de rechtbank vervolgens de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit beoordeeld. Die grondslag kon de toetsing van de rechtbank doorstaan. Er is geen aanleiding om de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gebezigd niet te onderschrijven.
4.4.1.
Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat namens appellant in de bezwaarschriftprocedure uitdrukkelijk is verzocht om een hoorzitting. Uit telefonisch contact met appellant op 27 december 2011 is gebleken dat het appellant daarbij vooral erom ging dat medewerkers van zijn werkgever werden uitgenodigd om te verklaren over een achterliggend conflict met zijn voormalige werkgever. Met de toenmalige gemachtigde van appellant is door een medewerker van het Uwv op 30 januari 2012 en 23 april 2012 gesproken over de ingangsdatum van de uitkering. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de ingangsdatum van de WIA-uitkering juist was vastgesteld en dat het niet zinvol was om een hoorzitting te houden over het door de voormalige werkgever terecht of ten onrechte gegeven ontslag.
4.4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van schending van de hoorplicht. Appellants standpunt had voor het Uwv geen aanleiding hoeven zijn om appellant te horen, omdat de heroverweging in bezwaar uitsluitend de toekenning van een
WIA-uitkering betrof.
4.4.3.
Ingevolge artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende het recht om te worden gehoord, alvorens een bestuursorgaan op het bezwaar beslist. In artikel 7:3 van Pro de Awb zijn de uitzonderingen op de hoorplicht uitputtend opgesomd. Het is vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8867) dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure vormt. Appellant en zijn gemachtigde hebben niet afgezien van het recht om gehoord te worden. Van een andere uitzonderingssituatie, bedoeld in artikel 7:3 van Pro de Awb, is evenmin gebleken.
4.4.4.
Het voorgaande betekent dat sprake is van strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Nu niet blijkt dat appellant hierdoor is geschaad, ziet de Raad aanleiding dit gebrek te passeren. De Raad acht hierbij van belang dat appellant inmiddels in beroep en in hoger beroep - zoals hij ter zitting zelf heeft aangegeven - alles naar voren heeft kunnen brengen wat hij op een hoorzitting bij het Uwv tegen het besluit van 21 oktober 2011 had willen opmerken. Wel bestaat er reden om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 23,84 aan reiskosten in hoger beroep. Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden.
4.5.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 23,84;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.
(getekend) P.H. Banda
(getekend) I. Mehagnoul

NK