ECLI:NL:CRVB:2015:2610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 29 juni 2012. Zij stelde echter dat zij zich al op 10 oktober 2011 had gemeld om bijstand aan te vragen en dat zij door een medewerker van het Jongerenloket was misleid, waardoor zij niet eerder een aanvraag indiende. Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar wees dit af en stelde de ingangsdatum van de bijstand vast op 29 juni 2012.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het opleggen van arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk was, maar vernietigde dit besluit gedeeltelijk. In hoger beroep betoogde appellante dat bijzondere omstandigheden, waaronder haar medische situatie en misleiding, een terugwerkende toekenning van bijstand rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich op 10 oktober 2011 ondubbelzinnig had gemeld voor bijstand en dat de medewerker haar niet heeft afgehouden van het indienen van een aanvraag. Ook was niet gebleken dat haar medische situatie haar verhinderde om eerder een aanvraag te doen. De Raad bevestigde daarom het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, en wees het beroep af.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.