ECLI:NL:CRVB:2015:2611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 30 januari 2012, verwijzend naar het overgangsrecht van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets (Wah). Het college wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat hij tussen 26 april 2012 en 17 september 2012 geen aanvraag had ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Appellant stelde dat hij al op 25 januari 2012 een aanvraag had gedaan die was afgewezen, en dat zijn latere aanvraag een verzoek tot herziening was, maar dit werd verworpen omdat er feitelijk geen aanvraag was ingediend.
Verder stelde appellant subsidiair dat bijzondere omstandigheden bestonden omdat hij door een medewerker was geïnformeerd dat een aanvraag niet tot bijstand zou leiden, waardoor hij geen aanvraag deed. De Raad oordeelde dat deze informatie correct was en dat appellant vrij was om een aanvraag te doen, maar dit niet heeft gedaan. Daarom was er geen grond voor bijstand met terugwerkende kracht.
De Raad bevestigde dat bijstand in beginsel niet wordt verleend over perioden voorafgaand aan de melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. In deze zaak waren die omstandigheden niet aanwezig. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en bijstand met terugwerkende kracht wordt niet toegekend.