ECLI:NL:CRVB:2015:2653

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2015
Publicatiedatum
6 augustus 2015
Zaaknummer
14-922 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering Wuv-uitkering wegens niet opgegeven lijfrentepolis

Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, ontving sinds 2000 een periodieke uitkering. In 2013 stelde de Sociale verzekeringsbank de uitkering en inkomstenkorting opnieuw vast, waarbij een teveel van €4964,03 werd geconstateerd. Dit was gebaseerd op het feit dat appellante een lijfrentepolis had afgesloten die niet eerder was meegenomen bij de vermogensvaststelling.

Appellante voerde aan dat zij ervan uitging dat de lijfrentepolis bij Legal & General, gefinancierd met een eerdere polis, al was betrokken bij de vermogensvaststelling in 2000. Tevens stelde zij dat een medewerker van de Sociale verzekeringsbank haar had toegezegd dat deze polis geen invloed zou hebben op haar uitkering.

De Raad oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat de polis ooit was opgegeven of betrokken bij de vermogensvaststelling. Er was geen bewijs van een onvoorwaardelijke toezegging en het telefoongesprek kon niet worden geverifieerd. Daarom kon het besluit tot terugvordering in stand blijven en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de terugvordering van een teveel ontvangen Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

14/922 WUV
Datum uitspraak: 6 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 januari 2014, kenmerk BZO1679245 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1940, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Met ingang van 1 februari 2000 is aan haar een periodieke uitkering toegekend. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met de vervolging.
1.2.
Bij besluit van 14 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is de uitkering en inkomstenkorting opnieuw vastgesteld. Uit de daarbij gevoegde betalingsmededeling blijkt dat deze vaststelling leidt tot een teveel uitgekeerd bedrag van
€ 4964,03. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het door appellante verstrekte overzicht en de daarbij gevoegde stukken naar voren komt dat zij een lijfrentepolis heeft afgesloten bij FBTO. Het in 2000 vrijgekomen bedrag is in 2001 gebruikt om een polis af te sluiten bij Legal & General. Het vrijgekomen bedrag van Legal & General is in december 2010 grotendeels ondergebracht bij Reaal. Reaal betaalt maandelijks € 360,50 (bruto). De lijfrentepolis was niet eerder bij de vaststelling van het vermogen betrokken en is alsnog op grond van artikel 19 Wuv Pro als overige inkomsten op de uitkering in mindering gebracht.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Appellante heeft aangevoerd dat zij steeds ervan uit is gegaan dat met de lijfrentepolis bij Legal & General, die is gefinancierd met de uitbetaling van de FBTO-polis, rekening is gehouden bij de vaststelling van haar vermogen in het jaar 2000. Verder voert appellante aan dat zij naar aanleiding van een artikel in het tijdschrift “Aanspraak” dat in december 2003 is verschenen en waarin staat dat als met de inleg van een lijfrente- of kapitaalverzekering wordt begonnen ná de ingangsdatum van de Wuv- of Wubo-uitkering, de uitbetalingen niet op de uitkering van invloed zijn, contact heeft opgenomen met een medewerker van verweerder over deze polissen. Deze medewerker heeft haar meegedeeld dat de polis bij Legal & General, ontstaan door het daar onderbrengen van de toen afgelopen FBTO-polis, een nieuw afgesloten lijfrente was, die niet van invloed zou zijn op haar uitkering.
2.2.
De beroepsgronden van appellante slagen niet. De gedingstukken bevatten namelijk geen gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de eerst bij FBTO en daarna bij Legal & General ondergebrachte polis in 2000 of enig ander moment, op welke manier dan ook, bij de vaststelling van het vermogen is betrokken. De polis wordt niet op het financiële vragenformulier genoemd en evenmin is een aantekening van een behandelaar aangetroffen. Appellante heeft in bezwaar en in beroep evenmin gegevens overgelegd of enige andere informatie verstrekt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de betreffende polis bij verweerder bekend was. Voorts kan niet worden geoordeeld dat aan appellante een onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat de lijfrentepolis niet van invloed zou zijn op haar uitkering. Niet kan worden nagegaan wat er precies is gezegd tijdens het telefoongesprek. Bovendien is niet duidelijk welke gegevens appellante aan de medewerker heeft verstrekt.
2.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Rikhof

HD